Achtergrond
Leestijd
3 min.

Wat kan er bij bloedstolling misgaan?

Ons bloed stolt vanzelf. Dat is maar goed ook, want dit zorgt ervoor dat er een korstje op een wondje komt en dit niet blijft doorbloeden. Helaas gaat dit stollingsproces ook wel eens mis: bloed kan stollen tot een levensgevaarlijk propje. We spreken dan van trombose. Wat gebeurt er bij trombose precies in het bloedstollingsproces? Wij vertellen het je.

Trombose is één van de belangrijkste doodsoorzaken in Nederland: ieder uur krijgen elf mensen trombose. Eén op de vier mensen overlijdt aan de (in)directe gevolgen ervan. Maar hoe ontstaan deze levensbedreigende bloedstolsels en -propjes? 

Hoe gaat het bloedstollingsproces in z’n werk?

Ons bloed vervoert via het vaatstelsel allerlei stoffen door ons lichaam, zoals zuurstof en afvalstoffen. Als een bloedvat beschadigd raakt, bijvoorbeeld door een wondje, begint ons lichaam meteen met ‘repareren’ om bloedverlies zoveel mogelijk te beperken. Bloedplaatjes en stollingseiwitten komen dan in actie. De bloedplaatjes gaan op de beschadigde plek tegen elkaar aan liggen om het gat te dichten. Vervolgens maken de stollingseiwitten de barricade sterker. Het resultaat is een stevig stolsel, een korstje. Zodra de beschadiging van de wand is genezen, ruimt ons lichaam het korstje weer op.

Wat kan er fout gaan tijdens dit proces? 

Soms stolt het bloed zonder dat er sprake is van een beschadiging, of blijft het stollen ook als de wond al dicht is. Het systeem van stolling en antistolling is dan uit balans. Hierdoor ontstaat er een bloedpropje. Door dit bloedpropje kan een bloedvat verstopt raken. We spreken dan van trombose. Wanneer zo’n bloedpropje losschiet, heet dit een embolie. Als een deel van het lichaam geen zuurstof meer krijgt door een propje, spreken we van een infarct. Dit kan zowel in aders als in slagaders ontstaan.

Hoe ontstaat trombose?

Bij trombose spelen drie factoren een rol: de toestand van de vaatwand, de toestand van de bloedstroom en de samenstelling van het bloed. Als een van deze drie factoren verandert, neemt het risico op stolsels toe:

  1. De wand van een bloedvat is aangetast of onregelmatig. Bijvoorbeeld door een wond, een hoog cholesterolgehalte of door aderverkalking.
  2. Het bloed stroomt langzamer dan normaal. Bijvoorbeeld door lang stilzitten of -liggen vanwege ziekte of na een operatie. 
  3. De samenstelling van het bloed verandert. Bijvoorbeeld door zwangerschap. Je hebt dan een tekort aan bepaalde remmers of een teveel aan bloedcellen. 

Andere risicofactoren zijn: roken, de anticonceptiepil, kanker, diabetes, een hoge bloeddruk, overgewicht, (erfelijke) stollingsstoornissen en zwangerschap. Trombose ontstaat sneller bij een optelsom van deze factoren. 

Zelf reageren



Benieuwd naar meer geheimen van een gezond leven?